noudhovius.punt.nl
www.noudhovius.tk (zie ook links)
Laatste artikelen

Recensie  in Mr. Magazine van 11 december 2015.

Reacties

Vandaag is het zover, mijn nieuwe roman is officieel verschenen. Het is een literaire thriller die speelt in de wereld van de Utrechtse (straf)advocatuur. Steun uw lokale boekhandel en koop of bestel hem daar. Later deze maand verschijnt ook een E-book versie. 

 

Korte beschrijving:

Paul Voerman is strafrechtadvocaat in de Domstad. Hij leidt een rimpelloos leven dankzij zijn overzichtelijke werkkring, een beperkt aantal minnaressen en zijn rockbandje. Wanneer hij getuige is van een misdrijf, neemt hij een beslissing die hem niet alleen in conflict brengt met politie en justitie, maar ook met de ooit door hem afgelegde advocateneed. Hij komt hard in aanvaring met zijn werkgever, terwijl hij contact probeert te houden met de enige vrouw die hem niet kan luchten of zien. 

Noud Hovius is schrijver in Zeeland. Hij studeerde Nederlands Recht in Utrecht, waar hij ook heeft gewerkt als advocaat. Eerder publiceerde hij de verhalenbundel "Rook" en de roman "Stigma".

Recensies over Stigma: PZC: "Een onderhoudend en spannend boek dat vlot weg leest." NBD/Biblion: "Hovius schreef een spannend verhaal dat zo verfilmd zou kunnen worden."

NUR 305 Adviesprijs € 21,95
273 pagina´s, 
ISBN 9789402149937
Brave New Books




Reacties

 

 

Paul Voerman is strafrechtadvocaat in de Domstad. Hij leidt een rimpelloos leven dankzij zijn overzichtelijke werkkring, een beperkt aantal minnaressen en zijn rockbandje. Wanneer hij getuige is van een misdrijf, neemt hij een beslissing die hem niet alleen in conflict brengt met politie en justitie, maar ook met de ooit door hem afgelegde advocateneed. Hij komt hard in aanvaring met zijn werkgever, terwijl hij contact probeert te houden met de enige vrouw die hem niet kan luchten of zien. 

Noud Hovius is schrijver in Zeeland. Hij studeerde Nederlands Recht in Utrecht, waar hij ook heeft gewerkt als advocaat. Eerder publiceerde hij de verhalenbundel "Rook" en de roman "Stigma".

Recensies over Stigma:
PZC: "Een onderhoudend en spannend boek dat vlot weg leest."
NBD/Biblion: "Hovius schreef een spannend verhaal dat zo verfilmd zou kunnen worden."

NUR 305
Adviesprijs € 21,95
273 pagina´s, kleine druk
ISBN (tzt) 9789402149937
Brave New Books

 

 



Reacties

De Heerser neemt plaats voor een wand met beeldschermen. Een voor een komen ze tot leven, het licht van de winterse vooravond is precies voldoende voor de buitencamera´s. De kruispunten zijn mooi in beeld, de koplampen van de auto´s zullen de straten straks verder uitlichten. Het heeft hier en daar geregend zo te zien. De avondspits is aanstaande. Hij leunt achterover en neemt de afstandsbediening van de recorder in zijn rechterhand. Zodra er een inbreuk wordt gepleegd op de Regelmaatregel zal hij het nummer van het beeldscherm intoetsen zodat de inspectie kan uitzoeken wat er mis is gegaan. De eerste auto´s verschijnen in beeld. Ondanks zichzelf raakt de Heerser opgewonden. Keurig. Hij kan niet anders zeggen. Als in een choreografie die tot in de puntjes wordt uitgevoerd, raken de kruispunten gevuld met auto´s die zich volgens de regels verplaatsen. De eerste naar rechts, de tweede rechtdoor en de derde naar links. Bij een juiste afwisseling in de verkeerslichten en een alert reagerend autovolk ontstaat een cadens, een regelmaat die simpelweg onweerstaanbaar is. Een ultieme dansvoorstelling.

 

De avond valt langzaam in. De automobilist neemt plaats naast zijn kleine zoon. Het ventje is nog erg druk. De crèche maakte hem moe, maar niet moe genoeg om zich rustig over te geven aan de dagelijkse knuffel van Vader.

“Auto, auto!”

Ja, de auto. De auto die nog even naar de winkel moet omdat dat onderweg naar de crèche niet is gelukt. Stomme Regelmaatregel. Op deze manier verwacht Vader niet eens thuis te komen voor middernacht.

“We gaan nog even boodschappen doen, Zoon. In de winkel.”

“Winkel, winkel!”

Vier grote kruispunten hiervandaan. Het zou toch mogelijk moeten zijn dat ze het in één keer halen. Bij wijze van uitzondering. Terwijl zijn zoontje zwaait naar een vriendje, draait Vader de auto van de parkeerplaats af om zich aan te sluiten in een groeiende rij automobilisten. Wie weet hoe vaak die vandaag  hier al langs zijn gereden. Vader had de auto wel eens laten staan om in een half uur naar huis te lopen met zijn zoon op de arm en zijn zware aktetas in zijn andere hand. Vandaag kan dat niet. De winkel is de andere kant op, dat wordt een te grote inspanning.

Ze naderen het kruispunt. Oh nee, derde in de rij. Naar links dus.

“Papa, papa, de winkel is daar! Daar!”

Zoon wijst naar rechts.

“Ja jong, en de politieagent is daar.”

Vader wijst naar de grauwe figuur in zijn versleten groene jas onder zijn afdakje langs de weg. Hij lijkt zich in het geheel niet bezig te houden met het verkeer op zijn kruispunt, maar Vader weet wel beter. Camera´s in de lucht houden iedere beweging in de gaten. Zodra een auto de regelmaat doorbreekt klinkt er een signaal en komt de agent in actie. De boetes zijn hoog, de maatregelen streng. Vader weet het nog precies. Het zal hem niet nogmaals overkomen. En dus volgt Vader het voorgeschreven pad van de derde auto in de rij, nadat de eerste rechtsaf slaat, de tweede rechtdoor rijdt en de vierde, achter hem, weer rechtsaf rijdt.

 

De Heerser ziet dat de mensen het goed doen. Iedereen beweegt zoals het hoort. Het is een betoverende avondspits, zonder wanklank. En het nieuwe systeem werkt. De autowegen worden nu daadwerkelijk gelijkelijk belast door de inslijtende autobanden. Kon aanvankelijk iedereen die toevallig vooraan een nieuwe groep auto´s aan kwam rijden, doen alsof hij de eerste was, nu weet iedereen dankzij de nieuwe navigatiesystemen welke positie hij daadwerkelijk inneemt. Geweldig. Om deze waarneming  passend af te sluiten laat de Heerser de beelden overschakelen naar alle minder geslaagde kruispunten, de Y-splitsingen en die afschuwelijke rotondes. De ergste rotonde bevindt zich op tien kilometer van zijn paleis. Een wanstaltig knooppunt dat niet minder dan zeven wegen bedient. Gefascineerd beziet hij de mierenhoop die zich in de rondte wringt. Wordt dit echt goed in de gaten gehouden? Of piept er daar toch zo af en toe een beestje in een te vroege afslag? Nee, het lijkt toch goed te gaan.

 

De reis van Vader en Zoon voert langs derde, tweede en eerste posities bij verkeerslichten en onvoorziene kruisingen naar een woonwijk waar Vader nog nooit is geweest. Even krijgt hij de aanvechting midden op de weg om te draaien, maar nog net op tijd bedwingt hij zich. Op korte afstand bevindt zich een politieafdak met een speurende aspirant, zo´n pokkejong dat zich nog moet bewijzen. Hij kijkt vriendelijk naar de agent terwijl hij rechtsaf slaat met het stellige voornemen dat nog twee keer te doen om dan de wijk weer uit te rijden.

Een snerpende politiefluit klinkt. Onwillekeurig stopt Vader meteen. De agent komt aanrennen in de linkerbuitenspiegel. Zijn zoontje ligt inmiddels met een duim in zijn mond te slapen. De aspirant verschijnt aan het raam.

“Wat heeft dit te betekenen?”

“Sorry?”

“U bent de derde. U moest naar links.”

Vader weet even niet wat hij moet zeggen.

“Waarom deed u dat?”

“Ik had niemand voor me, dus ik dacht dat ik de eerste was. Heb ik iets gemist?”

“De aanwijzing van de navigator. U bent de derde!”

Hij toont me zijn ultra-moderne navigator. Een rode lamp flitst in de buitenrand terwijl op het scherm het kenteken van zijn auto staat vermeld. Eronder ziet Vader dat hij op de Kastanjelaan stilstaat. Even ziet hij zijn jongensfiets staan, geleund tegen de grote kastanjeboom in het dorp van zijn jeugd.

“Ik heb geen navigator.”

“Wat?”

De aspirant spuugt het woord uit. Er zit een grote verkeerscrimineel in die lelijke, oude wagen.

“Wacht even, dan laat ik het zien.”

Maar de aspirant heeft een pistool getrokken en sommeert hem de auto te verlaten. Even kijkt Vader naar zijn slapende zoontje en stapt dan rustig uit.

“Kijk maar in mijn kaartenvak. Ik heb een museale auto met ontheffing. Ik mag er geen veranderingen in aanbrengen.”

De aspirant hoort hem niet. Terwijl hij Vader angstvallig onder schot houdt piept hij in zijn microfoon om versterking. De centralist blaft terug dat de hulptroepen ieder moment kunnen komen. De aspirant vraagt in paniek of de centrale goed heeft gehoord dat hij de verdachte onder schot houdt. Het antwoord verdrinkt in de aanstormende sirenes.  

“Dat is een mooie auto. Klassieker.” De oude inspecteur knikt goedmoedig.

“Ontheffing zeker? Subsidie?”

Vader knikt. Zoontje is wakker geworden en kijkt met open mond naar buiten, waar ernstige mannen in rare pakken met grote geweren staan te spelen. Niets zeggen, denkt Vader. Rustig blijven.

De inspecteur snuift.

“Grote omweg gemaakt?”

Vader knikt voordat hij zijn reflex kan onderdrukken. Geen kritiek op de Regelmaatregel. Verdomme.

“Ja, dat snap ik. Zoontje honger?”

Vader knikt nu met overtuiging. De inspecteur wendt zich tot de aspirant.

“Goed gedaan. Ik zal je chef melden dat je dit goed hebt gedaan. Ga maar.”

De aspirant wil iets zeggen maar de inspecteur schudt zijn hoofd. Hij wenkt zijn mannen en mompelt een paar bevelen. Eén koppel vertrekt met de aspirant. De andere twee nemen plaats in hun auto´s en wachten. De inspecteur kijkt Vader aan.

“Meteen naar huis?”

“We zijn eigenlijk op weg naar de winkel. Dat is vlak bij huis, in dezelfde wijk, aan de andere kant.”

Vader noemt de straat. De inspecteur knikt.

“Zij rijden voorop. U in het midden, de anderen er achteraan. Wel een beetje doorrijden, OK?”

 

Op een van de beeldschermen van de Heerser verschijnen drie auto’s, twee met zwaailichten, die in strijd met alle principes van de Regelmaatregel, gezamenlijk de grote rotonde op en weer afrijden. Van het ene naar het andere beeldscherm, tot ze een wijk inrijden. Buiten beeld. Hij laat de satelliet bijsturen, de wijk komt in beeld maar de auto´s zijn verdwenen. Vermoedelijk naar het politiebureau met een overtreder. Goed zo. De rust is hersteld.

 

Reacties

De wekker loopt af om precies 10 minuten over zes. Ik heb gisteravond nog gebeld met de tijdmelding en heb de wekker toen helemaal opgedraaid. Mijn kleren liggen al klaar, maar eerst ga ik ontbijten en mezelf wassen. Mijn moeder heeft de volgorde bij mij ingeprent. Ik mis haar nog steeds. Mijn vader ook, maar die is al veel langer dood. Gelukkig is het een klein huis. Ik kan de huur betalen en ik mocht blijven wonen van de huisbaas als ik ook voor de tuin zou zorgen. Daar ben ik niet zo goed in, maar het lukt me wel. Grasmaaien, onkruid wieden en eens in de maand de heg knippen. Op de eerste zaterdag, zolang hij blijft groeien. Het is fijn wonen hier. De Jasmijnstraat in Middelburg, op de hoek van de Zacharias Janssenstraat. Op een kwartier lopen van mijn werk. Als ik doorloop. En als het niet glad is van de sneeuw, want dan loop je er zo een half uur over.

 

Nu is het tijd om mijn boterhammen te smeren. Eentje met pindakaas en eentje met stroop. Ik zet ze op tafel naast de mok hete thee en ga zitten. Op mijn stoel kan ik net over de heg kijken. Ik kan het huis aan de overkant zien en de mensen die naar hun werk fietsen. Zij moeten verder weg. Naar de fabrieken aan de andere kant van het kanaal of nog verder. Ik kom niet zo vaak bij het kanaal want ik hou niet van vissen. Ik ga liever naar mijn oom in Westkapelle, die heeft grote paarden. Het is alweer bijna kwart voor zeven, ik moet dooreten anders kom ik nog te laat.

 

Het is mooi weer. Ik heb genoeg aan mijn zomerjasje. Mijn boterhammen en mijn appel passen niet in de jaszakken, dat kan alleen bij mijn winterjas als ik de wanten eruit haal. Ik heb heel veel tassen, maar ik gebruik er maar een. Mijn vaders jagerstas, want die ruikt lekker en die heeft een riem voor over de schouder. Dat is stoer.

De vogels fluiten als ik over de Veersesingel loop. Dat is vrolijk. Ik fluit wel eens mee, maar nu moet ik doorlopen. Ik wil niet te laat komen. Onder de Koepoort door en langs Miniatuur Walcheren. Ik vind het daar fijn. Met al die kleine huisjes en torens word je zelf heel groot. Je moet op de paden blijven ander maak je iets kapot. De koningin is daar ook geweest. Dat heb ik zelf gezien, met mam samen. Doorlopen. Zaterdag ga ik er wel weer heen, ik heb toch geld over.

 

Alles in Middelburg loopt in de rondte en dat is niet de kortste weg. Dat is de weg dat je nooit aankomt. Mijn mam zei dat ik over de Bleek naar de Abdij moet lopen en dan naar de Lange Delft. Maar ik ken de weg al lang en ik loop liever door de Wagenaarstraat langs de rechtbank, met de bocht mee, langs het postkantoor en dan langs het stadhuis. Dat kan ook en dat is net zo ver denk ik. Ok korter. En mam ziet het toch niet dat ik nu anders loop. Dus dat is ook niet erg. En zo kan ik meteen naar mijn trap. Soms komt Klaartje dan voorbij. Dat is fijn. Ik mag zwaaien en zij zwaait terug. Doorlopen. Zij werkt bij ons boven in de kantine en ze kan mooi lachen. Doorlopen.

 

Het kantoor staat op de markt. Recht tegenover het stadhuis. Dat is handig, want ik ben meestal te vroeg en dan wacht ik op de trap van het stadhuis tot meneer Marinusse eraan komt. Hij heeft een hele grote fiets met fietstassen. Het kantoor is bijna net zo groot als het stadhuis. Ik heb een groot raam op het kantoor en dan zie ik het stadhuis. Dat vind ik mooi. Het kantoor vind ik ook mooi en handig. Alles is recht en vierkant en iedereen heeft zijn eigen kamer. Ik heb ook een kamer. Op de eerste, bij de trap. Ik heb ook een tafel en een grote kast. Dat is de postkast. Eerst haal ik de post van beneden met de grote postzakken. Dan zet ik ze op mijn kamer. Dan maak ik een voor een de postzakken leeg op mijn tafel. En dan leg ik de postpakken en de brieven op hun plekje in de postkast zodat ik ze naar de goede afdeling kan brengen. Eerst legde ik ze altijd op alfabet, maar nu hebben we teveel post en de mensen van de afdelingen wilden niet meer zo lang wachten, tot ik helemaal klaar was. Nu zoeken ze de post op de afdelingen zelf uit, maar volgens mij niet op alfabet. Soms is er ook een heel groot pak en dat past dan niet in de kast. Dat breng ik meteen weg. Dat is handig.

Gelukkig hoef ik de grote pakken niet meer langs de trap omhoog te slepen. Ze hebben een lift gemaakt, dwars door de vloeren tot in de kamer van Jannie op de bovenste verdieping. Zij heeft nu de kamer van mijnheer De Groot, omdat die met pensioen ging. Jannie moest toen huilen maar volgens mij vindt ze het wel een mooie kamer. Op de andere verdiepingen is de lift door de overloop gegaan, dus daar heeft iedereen gewoon zijn eigen kamer. Dat vinden ze ook wel fijn.

 

De stenen van de trap zijn best fris. Misschien ben ik te vroeg. Ja, ik ben te vroeg. Ik ga zitten op de trap. Ik hoor een auto starten. En nog een. Dat kan niet. Niemand heeft een auto, bijna niemand. Niemand die ik ken. Ik kijk voorzichtig over het muurtje heen en zie vijf, zes, zeven gladde zwarte auto´s. Ze zijn helemaal dicht. Helemaal zwart. En een enorme zwarte vrachtwagen. Ik moet me vasthouden. Ze maken me bang. Nog meer geluid van zware motoren. Ze brullen. Ik zie twee mannen uit de zijkant van het kantoor komen. De lange man doet de deur dicht en draait hem op slot. Ze lopen naar een auto. De deuren gaan vanzelf open en ze stappen in. Ze rijden naar me toe! Ze hebben me gezien! Ik moet zitten achter het muurtje. Ik knijp mijn ogen dicht en hoor de auto´s voorbij komen. De vrachtwagen maakt zoveel lawaai dat het muurtje begin te trillen tegen mijn schouder. Het duurt te lang. Straks valt er nog een beeld van het stadhuis af, boem bovenop mij. Dan ben ik dood. De vrachtwagen rijdt verder, langs het stadhuis. Het wordt stiller, maar vlak voor mij blijft een motor draaien. Ik kijk door mijn oogharen, til mijn hoofd iets op. Daar staat de laatste auto en de lange man kijkt mij aan door een opening in de autodeur. Hij staart. Ik durf niet weg te kijken. Dan brengt hij zijn wijsvinger naar zijn lippen. Hij tikt drie keer op zijn getuite mond en knikt dan naar mij. Even gaat zijn wenkbrauw omhoog, hij wil weten of ik het begrijp. Ik knik. Ik mag niks zeggen. Dat snap ik. Zij zijn geheime mannen in zwarte auto´s. Natuurlijk mag ik daar niet over praten. Ik knik heel hard. Ik snap het. Ik snap het echt. Het gat in de deur schuift dicht terwijl de man mij aan blijft kijken. Hij is grijs en ziet er best vriendelijk uit. De auto is weer helemaal zwart en dicht en rijdt opeens weg. Ik kan mijn handen niet meer stil houden. Ik sta op en spring op en neer. Net zo lang tot ik niet meer kan. Dan moet ik heel erg ademen en dan word ik weer rustig.

 

Daar is Klaartje. Ze loopt naast haar fiets en kijkt raar. Ze ziet mij en ik begin te zwaaien, maar ze loopt gewoon door. Ze zwaait niet. Ze houdt haar fiets vast. Misschien is ze bang dat hij omvalt. Hoe laat is het? Ik kijk op mijn zakhorloge. Het is al half acht. Meneer Marinusse is er nog steeds niet. Misschien heb ik niet goed gekeken. Ik heb natuurlijk niet de hele tijd gekeken naar het kantoor omdat er iets is gebeurd waar ik niet over mag praten.

 

Bij de zijdeur van het kantoor kijk ik nog eens om me heen. De fiets van meneer Marinusse staat misschien al in het fietsenhok. Ik voel aan de deurklink maar de deur is op slot. En binnen is alles nog donker. We moeten nu echt koffie gaan zetten. Ik loop naar de voorkant. De klok op het stadhuis staat op bijna kwart voor acht, maar die loopt een minuut voor. Wat moet ik doen. Ik loop maar weer naar mijn trapje. Of ik ga Klaartje zoeken.

 

“Waar ga jij naar toe? Ga je naar huis?”

De stem is van meneer Marinusse. Gelukkig. Ik draai me om en ren naar hem toe. Hij is gewoon op de fiets en heeft zijn gewone jas aan. Hij kijkt me raar aan.

“Wat is er met jou gebeurd?”

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik mag niets verklappen. Klaartje komt met haar fiets naast me staan. Ze zegt niets maar ze ziet er wel wat beter uit. Ze kijkt naar meneer Marinusse.

“Ben je misschien een beetje ziek?”

“Nee, ik moest hard lopen. Ik was bijna te laat maar nu bent u te laat. Dus.”

“Te laat?”

“Het is bijna kwart voor acht.”

Geschrokken kijkt meneer Marinusse op zijn horloge. Het is een mooi model van Certina, ik weet dat die veel te duur is voor mij want ik heb hem in de etalage zien liggen. Maar het zakhorloge van pap is ook heel mooi en meneer Marinusse heeft gezegd dat hij daar best jaloers op is. Daar moest ik van blozen.

“Nee hoor, het is vijf voor zeven. Ik ben te vroeg!”

Geschrokken kijk ik hem aan. Hij liegt. Ik wijs naar de klok van het stadhuis, maar die staat op zes voor zeven. Ik pak snel mijn zakhorloge en die staat nu op kwart voor acht. Dit kan niet. Dit bestaat niet. Nu weet ik niet meer hoe laat het is.

“Gaat het wel?”

Hij legt een hand op mijn schouder en trekt hem meteen terug.

“Je bent helemaal verhit, Henk. Je hebt koorts!”

Ik voel aan mijn voorhoofd en merk er niets van. Misschien zijn mijn hand en mijn hoofd even warm en dan lijkt het net alsof er niets aan de hand is. Misschien heb ik wel koorts. Ik moet de tijd bellen. Ik moet aan het werk.

“Henk? Moet jij niet even onder de wol?”

Nee. Ik moet aan het werk. Ik moet koffie zetten en post halen.

“Post halen? Waar heb je het over? We hebben toch buizenpost?”

Nu kijk ik meneer Marinusse aan alsof hij helemaal gek is geworden. Post in de buis. Wat voor buis? Hoe kan een pakje nou door een buis?

“Wat is er mis met de buis?”

Hoort hij wat ik denk? Hoe kan dat.

“Omdat je tegen me staat te schreeuwen. Het lijkt me echt het best dat jij nu eerst eens even gaat uitzieken.”

“Nee. Het gaat heel goed met mij. Ik wil aan het werk.”

“Ok. Nou, als je het zeker weet. Maar ik stuur je naar huis als je zo gek blijft doen. Begrijp je dat?

“Ja, meneer Marinusse.”

“Ik heb het je gisteren toch ook al uitgelegd? En maandag? De verbouwing die ze in het weekeinde hebben gedaan?”

Verbouwing? Gisteren?

“Nee, in het weekeinde. Het is woensdag vandaag Henk.”

“Dat weet ik heus wel. Ga je mee, Klaartje?” Ik ga hem niet vertellen dat het maandag is, ik denk het niet eens want dat hoort hij ook al. Het is woensdag, het is woensdag, het is woensdag.

 

Binnen hangen er opeens overal buizen. Mijn kamer heeft er ook een. Het is een regenpijp, maar dan groter, rond met een vierkante mond. Een zwarte. Net als van die auto’s. Hij hangt precies boven het midden van mijn tafel. Heel onhandig. Ik kijk er in maar ik zie niks. Naast mijn tafel hebben ze een kastje gezet met een vierkant gat erin. Ook zwart als de nacht. En verder niks. Wat moet ik ermee? Zou iemand me dat kunnen vertellen?

De postbode komt straks, ik ga nu eerst koffie zetten. In de koffiehoek hangt geen zwarte buis, maar de koffiezetter staat er ook niet. En de kastjes zijn weg. Nou ja, behalve de hoge kast dan en daar zitten alleen rare papieren bekertjes in. En op de plaats van het aanrecht staat nu een rare koelkast met lampjes.

Zal ik het vragen? Wat dat voor ding is? Ik durf het eigenlijk niet, want dan denkt meneer Marinusse misschien echt dat ik ziek ben. Ik weet niet wat ik moet doen. Terug naar mijn kamer dan maar. Ik ga zitten op mijn stoel tot ik weet wat ik ga doen. En straks komt de post.

 

“Heb je al koffie gepakt, Henk?”

“Nee, de koffie…”

“Ach, je voelt je natuurlijk niet lekker. Kom, ik schenk even een kopje thee voor je in. Citroen erdoor? Suiker?”

De vingers van meneer Marinusse zweven voor de lampjes en hij kijkt me aan.

“Gewoon thee. Alstublieft.”

Altijd beleefd blijven. Mam had gelijk. Dat helpt. Hij drukt op een paar knopjes en de beker loopt vol.

“Thee voor meneer Henk.”

Hij houdt glimlachend een kartonnen beker voor mijn neus. Dat is mijn beker niet, maar dat wil ik niet denken.

“Voorzichtig, Henk. Hij is warm.”

Ik brand bijna mijn vingers, maar het ruikt wel lekker. Ik neem het mee naar mijn kamer en dan schenk ik het wel in mijn beker.

 

Mijn beker is er niet meer. En mijn potloden en mijn elastieken zijn er ook niet meer. Er ligt nu wel een pakje op mijn tafel. Precies onder de buis. Ik zet de thee op tafel en ga zitten. Op het pakje staat de naam van kantoor maar dan anders. Het heet hier Jansens Farmaceutica, maar op het pakje staat Jansen Wellness and Pharma en dan mijn naam. Dhr. Henk van Erven, Helper. Mijn naam is wel goed geschreven. Maar er moet eigenlijk staan dat ik Postjongen ben, want dat ben ik. En ik breng pakjes, maar ik krijg nooit pakjes. Met het pakje in de hand loop ik naar de kamer van meneer Marinusse, maar hij is er niet. Op zijn tafel ligt ook een pakje onder de buis. Ik kijk er niet naar want ik mag niet kijken. Ik mag alleen maar brengen. En ophalen als ze erom hebben gevraagd.

 

Het is op mijn zakhorloge alweer kwart over negen, maar er is nog niemand binnen op de afdelingen. Misschien is het nog steeds zeven uur op woensdag, in plaats van kwart over negen op maandag. Misschien moet ik maar vertellen van de zwarte auto´s en de geheime mannen.

“Geheime mannen? Heb jij ze ook gezien?”

Mijn keel knijpt dicht. Klaartje staat opeens voor me. Dat kan helemaal niet want ik stond heus niet te dromen. Ze kijkt me aan met grote ogen. Ik vind Klaartje lief. Ik kijk om me heen of er verder niemand kijkt of luistert. Het is stil en leeg. Dan kijk ik Klaartje aan en knik heel voorzichtig. Ze begint meteen te huilen. Ik weet niet wat ik moet doen, huilen is naar. Dan pakt ze een zakdoek en veegt haar ogen droog.

“Ik dacht dat ik gek werd.”

Zij kijkt me heel ernstig aan. Is ze boos op mij?

“Alles is opeens anders toch? Ik ben niet boos op jou, maar alles is anders. Ik kan de kantine niet vinden en ik weet niet wat ik moet doen.”

“Ja. En iedereen kan opeens horen wat ik denk.”

“Nee hoor, Jij loopt altijd al de hele dag te praten. Jij denkt gewoon te hard.”

“Oh.”

Dat heb ik nog nooit iemand horen zeggen. Zou het waar zijn.

“Ja. Iedereen weet het. Dus dat is heel gewoon. Gelukkig maar, toch?”

Ze lacht heel lief en kijkt me nog steeds aan.

“Ja. Gelukkig maar. Alleen ik wist het niet. Ik heb een pakje gekregen.”

Ik laat het pakje zien.

“Dat hoort niet. Andere mensen krijgen pakjes bij Jansen. Ik niet. En de naam staat verkeerd.”

“Maak je hem niet open?”

Nee, natuurlijk niet. Het is toch een vergissing? Pakjes zijn nooit voor mij. Oh jee, ze maakt hem open!

“Kijk, het is een briefje. Aan jou. Taken van vandaag. Stofzuigen en afvalbakken legen.”

Ik moet schoonmaken? En de pakjes en de post dan?

“Ja, dat weet ik ook niet. Maar ik weet niet eens wat ik moet doen. Misschien is er ook wel een pakje voor mij.”

 

Meneer Marinusse zit weer op zijn kamer. Hij heeft zijn pakje geopend en ziet er verdrietig uit.

“Meneer, Klaartje is de kantine kwijt.”

Hij kijkt me aan maar hij zegt niks. Zal ik het nog een  keer zeggen?

“Nee, ik heb je al gehoord. Er is geen kantine, dat weet je toch al? Klaartje, jij moet net als iedereen je taken uitvoeren. Heb je al gekeken in je pakje?”

Klaartje kijkt verlegen naar de grond.

“Ben je vergeten waar je je pakje kunt halen?”

Voorzichtig knikt ze.

“Laat jij het even zien, Henk?”

Ik kijk hem aan.

“Op je kamer?”

Op mijn kamer, dat vind ik fijn. Dan kan ik meteen mijn thee gaan drinken. En dan neem ik Klaartje mee. Ik geef haar een hand en we lopen samen naar beneden.

 

Op mijn tafel liggen nu twee nieuwe pakjes. Een voor Klaartje en alweer een voor mij. Ik geef Klaartje haar pakje en neem een slokje thee. Het is best lekker, maar niet meer zo warm. Klaartje heeft ook taken gekregen voor vandaag. Zij moet de wc´s schoonmaken, gatver.

“En jouw pakje?”

Ik maak mijn pakje open. Er zit een briefje in dat de taken meteen na ontvangst moeten worden uitgevoerd. Dat is logisch, ik moet aan het werk. Klaartje gaat ook. Ze is toch een beetje blij, omdat ze nu in ieder geval weet wat ze moet doen.

 

Ik pak de bezem en de stoffer en blik uit de grote kast naast de theemachine en loop naar boven om te gaan vegen. Jannie zit in haar kamer en ik zeg goedemorgen, maar ze zegt niks terug.Ze is heel druk met haar pakjes. De tijd gaat veel sneller als je werkt. Dus ik moet opschieten. Het is best al schoon, maar ik doe mijn best. Overal liggen pakjes op tafel, soms wel een hele stapel. En opeens zijn er ook best veel mensen. Meer dan vroeger lijkt het wel. Ze zijn wel aardig. De meesten moeten schrijven met een machine, terwijl ze vorige week allemaal nog grote boeken hadden om in te schrijven en zo. En als ze klaar zijn met een pakketje dan gooien ze het weg in het zwarte gat van hun kastje naast de tafel. Zo gaat dat dus. Iedereen snapte het al, behalve ik. En Klaartje dan.

 

Het vegen gaat goed. Voor ik het weet loop ik al de trap af naar de begane grond. In de hoek bij de wc´s zie ik nog net hoe een flap van een lange zwarte jas om de deur verdwijnt. Een geheime man. Bij de wc´s. Maakt Klaartje daar schoon? Ik laat mijn spullen vallen en ren de trap af, de gang door. De toiletdeuren zijn niet hetzelfde. Ze zitten nu in de buitenmuur, maar ik krijg ze niet open. De geheime man heeft hem op slot gedaan. Waar is Klaartje dan? Als het toilet weg is, is zij dan ook weg?

Een hand raakt mijn schouder aan, een stroomstoot gaat door mijn lijf. Het is Klaartje. Ze houdt haar vinger voor haar mond. Ik knik. Ze wijst achter zich. Een geheime man kijkt me kort aan en verdwijnt naar boven. Ik krijg geen adem meer. Mijn hart bonst zo hard dat iedereen het kan horen, volgens mij dan.

“Ssst.” Klaartje schudt haar hoofd en houdt nog steeds een vinger voor haar mond. Dan trekt ze mijn hoofd naar beneden en fluistert in mijn oor.

“Ze maken alles anders.”

Ik maak me los en kijk haar aan. Ik ben bang. Ik wil naar mijn kamer. We lopen samen de hoek om. In mijn kamer liggen twee pakketjes op tafel. Een voor Klaartje en een voor mij. We maken ze open en laten elkaar onze briefjes zien. ‘Alles komt goed, gelooft u ons. Het duurt soms even om er aan te wennen, maar zo kunt u veel beter werken.’

 

Meteen valt er een nieuw pakketje uit de postbuis. Het briefje is nu voor ons allebei. ‘Gangen dweilen’. We lopen naar de kast om schoonmaakspullen te halen.

Ik stop en buig naar Kaatjes oor.

“Mijnheer Stoffels, de schoonmaker. Ik heb hem niet gezien vandaag.”

Kaatje knikt. Achter haar verschijnt meneer Marinusse. Hij knikt ook.

“Ik kreeg een pakketje om hem te ontslaan. Het is toch wat.”

Maar dan…

Meneer Marinusse knikt.

“Jullie hebben zijn baan gekregen. Zorg ervoor dat hij trots op jullie kan zijn.”

Mijn schouders voelen zwaar aan. Ik wil meneer Marinusse het briefje laten zien dat ze alles anders maken, dat hij kan zien dat ik niet loop te liegen. Of dom ben. Maar het is weg.

“Klaartje heb jij dat briefje nog? Dat ze alles anders maken?”

Ze schudt van nee, maar meneer Marinusse glimlacht.

“Dat weet ik toch.”

“Gaat u ze stoppen?”

“Dat kan niet, jongen. Dat kan niemand.”

 

Ik draai me om. De wc´s zijn er weer. En de voordeur ook.

“Kon jongen, genoeg gedraald. Er is nog een hoop werk te doen.”

Ik loop naar het hok met de schoonmaakspullen, als ik hoor dat er iemand zit te bonzen in de wc´s. Klaartje is er nog en hoort het ook. Voorzichtig kijken we om de deur. Het bonzen stopt even. Ver weg staat er iemand te schreeuwen. We kijken rond, alle wc´s zijn leeg. Het lijkt wel van buiten te komen. We lopen de gang in naar de voordeur, maar die is weg. Achter ons is de wc verdwenen en gaat de deur open.

Mijnheer Stoffels komt binnen. Hij lijkt jonger en draagt een zwarte jas.

“Waar staan jullie naar te kijken?”

Ik weet niet wat ik moet zeggen en Klaartje kruipt achter mij weg.

Stoffels schudt meewarig zijn hoofd.

“Jullie zijn geen steek veranderd. Snel, aan het werk!”

Reacties

In het essay “ Waar is de mens?” (De Groene Amsterdammer, 5 februari 2015, p.32) komt de zelfbenoemde christen Binnert de Beaufort tot vergaande gedachten omtrent de mens en zijn religiositeit, of deze nu godsdienstig of atheïstisch van aard is. Zijn slotsom: de religie is niets zolang de mens niet laat zien hoe hij of zij deze invult.

Een waar woord.

Wat is de mens immers meer dan een bio-chemisch proces op twee benen. Een fragiel proces. Er kan veel misgaan wat leidt tot misvorming in een vroeg of laat stadium. Of gekte. Woede. Verdriet. Redeloze blijdschap wellicht.

Het denken dat de mens onderscheidt van dieren is daarbij een overweldigende gave die ook een vloek kan zijn. En vaak is. Wat kun je immers denken zeker te weten, als jouw bio-chemische proces zo vaak de belangrijkste veroorzaker blijkt te zijn van jouw zekerheid. Bestaat de rede dan nog, al is het maar af en toe?

Wat is een feit, een zekerheid nog waard, als je waarneemt met ogen en oren die worden gestuurd en geïnterpreteerd door jouw feilbare, fragiele bio-chemische proces? Lees je wel wat er staat, leg je de onuitgesproken intentie van degene die jou aanstaart wel goed uit? Of heb je slecht geslapen? Gebruik je medicijnen of ben je lijdend aan angststoornissen, burnout of narcisme? In de wonderschone woorden van Coldplay – let op: over smaak valt niet te twisten – “are you lost or incomplete?”

Een bijkomende factor is de taal die doet vermoeden dat er zoiets kan bestaan als een discours, een middel om tot een vergelijk of zelfs een overtuiging te komen. Terwijl het vaak, zo niet meestal, alleen maar gaat om de vraag of jouw bio-chemische proces bij toeval op het juiste moment de gelegenheid geeft om open te staan voor verandering. Voor de ander. Voor argumenten.

Denken heeft daarbij – alsof het al niet genoeg is - nog een monster geschapen: Het idee van de keuzevrijheid. We kunnen ingewikkelde dingen doen, denken en zeggen, maar we weten vaak niet hoe we daar zin aan moeten geven. Zonder normenstelsel lijkt de mens voortdurend te ontsporen in zijn drang naar grootse prestaties, het lijkt groter dan hemzelf. En de regels die door de naaste medemens worden bedacht imponeren niet. Er is dedain, vermomd in de robe van de vrijheidsliefde.

Dus zijn er goden en niet-goden, veelvormige Ismen, die ons de weg wijzen. Op aanwijzing van de mens. Of was het juist andersom? In ieder geval verdient opmerking dat veel van die Ismen vaak dezelfde waarden aanhangen, neerkomend op de aanwijzing aan hun volgelingen dat zij onderling respect dienen op te brengen en daarbij een zeker gevoel voor zelfrelativering aan de dag dienen te leggen. Toegegeven: zo eenvoudig schrijven de meeste Ismen het niet op en ze gooien er ook nog wel het een en ander aan haatdragende en opruiende teksten doorheen, maar de hoofdgedachte van respect komt verrassend vaak terug.

Zijn dat dan misschien de basiswaarden: een nederig leven met voldoende gevoel voor zelfrelativering (een eervolle wijze van rekening houden met de feilbaarheid van het eigen bio-chemische proces) en met respect voor de ander (een eervolle omschrijving voor ruimte laten aan de feilbaarheid van het bio-chemisch proces van de mensen om ons heen)?

Als dat de resultante is van uw beleving van uw religie, overtuiging, zekerheid, dan heeft u mijn zegen alvast. En voor de rest wordt het overleven. Amen.

Reacties

Samen met mijn dochter naar Antwerpen, er zijn slechtere plannen denkbaar voor een zaterdagmiddag. En als je dan ook nog naar expositieruimte (Woot) gaat om daar de laatste dag van Verwoed Getreuzel mee te maken, dan dreigt perfectie toe te slaan.

De maker en eigenaar van (Woot), Jen Gossé, is kunstenaar. Zelf nuanceert hij dat meteen, maar mede daardoor is hij een echte. Hij stelt vragen en bedenkt antwoorden en acties die uniek zijn. Als hij bemerkt dat ambachten verdwijnen, zoals dat van de boekbinder, dan laat hij zich jaren opleiden tot precies dat en maakt hij een boek dat liefde opneemt en doorgeeft. In Perfectie. 13 kunstenaars bijeengebracht in een expositie, een kunstzaal met ingenaaide zalen en hardcover. Is hij dan de kunstenaar van dat verzamelde werk? Nee, zegt hij. Misschien ben ik de conciërge. En rustig praat hij verder over kunst in de leefomgeving. De gift aan de buurt van zijn expositieruimte bestaat erin dat hij zijn buurtgenoten laat ontdekken dat kunst niet moeilijk is. Dat je er een mening over kunt hebben en dat je het kunt maken als je daarvoor kiest.

Hij kiest daarvoor en beseft dat hij bepaalde waarden ter discussie stelt. In de huidige maatschappij, waarin alles economisch gewaardeerd moet worden om nog iets te mogen voorstellen, is de keuze voor het verrichten van ogenschijnlijke zinloze, waardeloze handelingen een regelrechte confrontatie. Mensen woorden daarvan, in de woorden van Gossé, ongemakkelijk. Als het geen waarde heeft, waarom doe je het dan? De vraag lijkt logisch maar wordt mijn inziens pas begrijpelijk wanneer je je realiseert dat dit een vraag naar economische waarde is. Framing doet hier zijn werk, de vraag suggereert dat er geen andere waarde is dan economische waarde. Zodra je dat onder woorden brengt, blijkt de onzinnigheid van die veronderstelling. Is schoonheid geen waarde? Contemplatie?

Gossé besteedde twee maanden aan het beplakken van een muur met pakpapier, een abstracte vorm werd het. En een dertienjarige buurtgenoot kwam kijken, voelen, zien dat de lijntjes van het pakpapier zelf, ondanks de grillig gescheurde en geplakte onderdelen, in ijzeren regelmaat verticaal zijn blijven aansluiten en doorlopen. Zoiets wil ik ook op mijn muur, verzuchtte de jongere. En voilà, dat moment is bepalend. Bon, zegt Gossé, de jongere zal door zijn omgeving gezegd worden dat het niet kan, dat het nergens op slaat, dat het nutteloos is, dat het moeilijk is, maar dit moment heeft hij meegemaakt.

Er komen meer projecten en mijn belangstelling is wakker. Bezoek op enige zaterdagmiddag de Bostonstraat 30 te Antwerpen, zo zeg ik u. Bezoek de site. Ervaar.

Het Verwoed Treuzelen is prachtig beschreven door Hans Overvliet, een van de drijvende krachten achter ruimteCAESUUR te Middelburg, in zijn openingstoespraak bij deze expositie. De uitwisseling tussen kunstenaar en bezoeker krijgt er een diepere lading van. Het doet me denken aan John Cage en zijn stilte-compositie 4´33". Uitvoerder en publiek van die stilte geven elkaar de tijd voor een gemeenschappelijke ervaring.  

Voor mijn dochter en mij is het Verwoed Treuzelen nog niet voorbij. We hebben de tekening 8´47" van Jen Gossé meegekregen in ruil voor onze tijd. Wanneer wij de tijd die het hem kostte om de tekening te maken, 8´47´´, doorbrengen met Verwoed Treuzelen, mogen wij ons de eigenaar noemen. Dan hebben wij een besteding gedaan binnen het domein dat hij heeft uitgestippeld. Ik verheug me erop.

De waarde van deze zaterdagmiddag zit voor mij ook in de voortzetting van de zelfopvoeding waaraan ik mij nu al enige tijd met wisselend succes heb gewijd. Het gaat om kunstbeleving. Wil ik volstaan met het genieten van de prima vista schoonheid van het gebodene, de eerste wow-impressie, de overmacht van klassieke detaillering die mij met de paplepel is ingegoten? Of wil ik tijd nemen voor het verhaal achter het voorwerp, dat zich niet zo gemakkelijk laat ontsluiten? Al schrijvend aan deze verwerking van de dag van gisteren, ervaar ik de lessen die ik in dit opzicht van welwillende omstanders als Hans en Jen, maar ook van Freek Duinhof, heb mogen ontvangen. Het is een mooie weg om te bewandelen.

 

 

 

 

 

Reacties (1)

Middelburg, 26 juni 2013,

 

Beste Sofie,

Wat fijn om weer een brief van je ontvangen. De toon van jouw beide brieven was me vertrouwd, ook al kennen we elkaar niet. Het is vergelijkbaar met het moderne contact met geestverwanten via facebook, blogs, etc. Het heeft me minder terughoudend gemaakt bij het reageren op aansprekende teksten en het heeft me zelfs een enkele geestverwant opgeleverd op gebieden als literatuur en muziek. Terzijde: nu we kennis hebben gemaakt stel ik voor dat we tutoyeren.

Je beschrijft je denkproces op een aandachtige manier. Het is een genot om dat te lezen en ik ben het eens met de uitkomst ervan. Antwoorden zijn wat mij betreft vaak valse vaststellingen van één waarheid die geen andere waarheden lijkt toe te staan. Hoe oprecht ook, een waar antwoord kan bestaan naast dat van ieder ander en kan in de ogen van de ander worden gereduceerd tot een vluchtige opvatting. Het is die ogenschijnlijk verplichte keuze tussen antwoorden die de zaak verwarrend kan maken. Maar moet je echt kiezen voor een eigen waarheid? Is er ruimte voor een verrassende waarheid?

Je hartekreet – geef geen antwoord in woorden, maar laat me jouw balans ervaren – heeft me geraakt en uitgedaagd. Ik neem de uitdaging aan, al stelt deze mij voor het dilemma dat ik zonder woorden een belangrijk deel van mijn belevingswereld moet missen. Ik voel letterlijk de beweging en de verstilling van woorden, het gewicht of juist de lichtheid ervan, nog los van de gebruikelijke impact die hun boodschap op ieder mens kunnen hebben.

In dit opzicht moet ik je dan ook deels teleurstellen. Ik heb een voorstellingsvermogen in woorden en beperk me daartoe, ook al heb ik gezocht naar een manier om dat uit te voeren. De verschillende kunstvormen hebben in hun veelvormigheid een door mij zeer bewonderde taal, maar die beheers ik onvoldoende om een boodschap te kunnen overbrengen. Mijn woordentaal is steeds weer het antwoord op de beroering die tonen en beelden bij mij teweeg kunnen brengen. En in die taal zal ik proberen je mijn balans te laten beleven.

Bij mijn eigen zoektocht naar antwoorden heb ik de waarde van vragen leren kennen. Meer dan bij het tot je nemen van een antwoord, maakt een goede vraag het je onmogelijk om te horen zonder zelf te ervaren. Een vraag naar mijn balans wordt daarmee een vraag naar die van jou.

Voor mij is dat ook inhoudelijk een logische keuze als antwoord op jouw vraag: ¨Ik wil jou graag vragen of je misschien met iets anders dan woorden mijn vragen zou kunnen beantwoorden, zodat ik jouw waarheid kan beleven. Is er iets wat ik moet zien, horen, bezoeken, voelen, ruiken of doen waardoor ik de balans waar je over schrijft kan ervaren?¨

Ik zou nu kunnen schrijven wat ik doe om mijn balans te ervaren, en jou dan vragen hetzelfde te doen. Dat zou je volgens mij niet verder brengen. Zo is stilstaan in de Sint Pieter op een rustig moment voor mij volkomen gelijk aan zitten op het bankje bovenaan de duinovergang bij Dishoek, terwijl het verblijf aldaar voor mij op hetzelfde niveau ligt als het moment waarop een treffend woord mij vindt of de perfecte toon zich openbaart. Door een van die gebeurtenissen te ondergaan zou je het juiste doen, maar bezien vanuit mijn wereld zou je daarbij mijn voorgeschiedenis, mijn emotie en mijn beleving missen. Dat zijn voor mij onmisbare bijdragen aan een daadwerkelijke vergroting van mijn evenwicht, het is altijd meer dan alleen het ondernemen van die simpele activiteit op die ene plaats.

De vraag is daarbij of alles wat ik het mijne noem, voor jou relevant kan zijn zolang het niet van jou is. Dit maakt het moeilijk daadwerkelijk een gedeelde ervaring tot stand te brengen. Daarom heb ik mezelf de vraag gesteld wat ik eigenlijk doe op zo´n moment, en wat er om mij heen en met mij gebeurt. Of het toeval is, of dat ik er ook aan kan werken. Het lijkt erop dat het gaat om puur ervaren, misschien zelfs om het ervaren van puurheid. Mijn vraag is nu klaar.

Ik zou je willen vragen om het volgende te doen. Kies als je wilt een plek die helemaal bij jou past, om welke reden dan ook. Een fysieke plaats. Ga op een moment dat jou helemaal schikt, om welke reden dan ook, naar die plek toe om daar te zijn. Niet om te doen, maar om te zijn. Zittend, staand, liggend, wat jou uitkomt. Als je liever beweegt, prima, het is jouw beleving en komt dus helemaal vanuit jou. Als je daar dan bent zou ik je willen vragen te registreren wat het met je doet om daar op die door jou gekozen manier te zijn, maar ook wat het doet tussen jou en de plaats die je hebt gekozen.

Dit is mijn vraag aan jou. Ik ben oprecht benieuwd wat je gaat beleven en of dat bijdraagt aan jouw balans.

 

Met warme groet,

 

Noud.

 

 

Reacties

Middelburg, 14 april 2013.

 

Beste Sofie,

Wat een genoegen, wat een eer om jouw brief te mogen ontvangen. Je schrijft uit het hart over vragen waar je echt mee zit, belangrijke vragen. Dat zie je niet vaak. Het is ook niet iedere dag dat er op deze manier een beroep wordt gedaan op mijn levenservaring. Ik ben er voor gaan zitten in de hoop dat ik zo min mogelijk zware en verstandige dingen zou zeggen. Of dat gelukt is laat ik graag aan jouw beoordeling over.

Deel één van je vraag is eenvoudig. Ja, ik weet nog precies waar ik was, wat ik deed op het moment dat mijn volwassenheid me overviel. Als ik er aan terugdenk voel ik weer wat ik toen voelde. Het was in de vroege ochtend van mijn dertigste verjaardag. Ik stond in de badkamer voor de spiegel om me te scheren. Mijn ontbijt had ik haastig genomen omdat het druk was op het werk. De stilte op kantoor tussen half acht en negen uur zou ik goed kunnen gebruiken om correspondentie weg te werken, voordat de dagelijkse stortvloed van telefoons en afspraken weer zou uitbreken. De avond daarvoor hadden mijn vrouw en ik het er nog lachend over gehad. Als je dertig jaar oud bent, is het leven al bijna voorbij. Binnenkort even passen voor de kist en in afwachting van de laatste adem mag je hypotheek betalen.

Nu keek ik in de spiegel en zag de donkere randen om mijn ogen. Dat was het moment. Ik realiseerde me dat ik in mijn eerste koopwoning stond. Vlakbij lag mijn slapende vrouw in ons bed, zwanger van ons eerste kind, en ik was op weg naar mijn kantoor. Advocaat, niet langer advocaat-stagiaire. Het veroorzaakte geen paniek. Eigenlijk was het berusting. Het zat er al langer aan te komen en nu was ik niet langer de jonge hond, de leerling. De droom van een artistiek leven, gedwarsboomd door mijn vader en mijn eigen zucht naar zekerheid, was definitief verruild voor een succesvol bestaan als professional van het Recht.

Niet langer hulp of steun vragen aan mijn ouders, leraren, mentoren had ook mooie kanten. Ik was trots op wat ik samen met mijn vrouw bereikt had. Het leek op een afscheid nadat ik al lang een andere weg was ingeslagen. Het vervolg leek overzichtelijk en trok me aan. Terwijl ik blij was dat ik mijn weg gevonden had, was ik bezorgd dat ik mijn nieuwsgierigheid zou verliezen. Dat is een constante gebleken: ik functioneer het best wanneer ik mij geen zorgen hoef te maken over de eerste levensbehoeften, maar blijf de grenzen zoeken. Het is de eenling in mij die voortdurend beschermende verbanden wil doorbreken.

Het volwassen worden heeft zich lang ongemerkt aan mij voltrokken. Dit moment van realisatie op mijn dertigste verjaardag was het eindpunt van een vaste waarde in mijn leven: rücksichtlos onderzoeken en beleven was tot dat moment mijn modus operandi. Nu kwam er verantwoordelijkheid voor in de plaats. Achteraf ben ik dankbaar voor mijn langdurige jeugd. De volwassenheid is iets gebleken waar ik maar moeilijk aan kon wennen, oude gewoonten sterven langzaam. Mijn innerlijke gedrevenheid heeft me bijna de kop gekost. In plaats van alles te doen en niets te laten had ik misschien keuzes moeten maken. Het is een normaal mens immers niet gegeven een drukke baan te hebben met een compleet gezinsleven, om daarnaast ook nog musicus, schrijver en fotograaf te zijn. Misschien is dat het wel, volwassen worden houdt onder meer in dat je kennis maakt met je beperkingen en er hopelijk mee om leert gaan.

We zijn nu twintig jaar verder zodat ik wederom drager ben van een omineus leeftijdsgetal, vijftig. Nu pas durf ik te zeggen dat het project volwassenheid af is, Een leven lang op zoek naar de balans die ik recent vond. Ik heb nog wel even voor mijn volgende project begint, de derde levensfase, maar ik richt mijn leven anders in nu ik weet dat ik altijd in beweging zal zijn. Het is af omdat het nooit af zal zijn.

Zo ga ik, in antwoord op je tweede vraag, om met mijn volwassenheid. Ik probeer het simpel te houden in het besef dat grote dingen klein beginnen. 

Misschien één advies. Gebruik Zonnebrand. Het is geleend advies uit een toespraak waar ik af en toe naar luister op Youtube. Deze toespraak staat bekend als de MIT Graduation Speech van Kurt Vonnegut. De man heeft het niet geschreven of uitgesproken maar had dat kunnen doen. De echte schrijver ervan, columniste Mary Schmich, had waarschijnlijk niet zo veel aandacht gekregen als deze fabel er niet bij was gaan horen, maar de inhoud is briljant van eenvoud. Ik hoop dat je ervan geniet. Lees vooral ook de verhalen van Kurt Vonnegut, hij zal je duidelijk maken dat je goed bezig bent.

Ik wens je plezier bij het ontdekken van jouw volwassenheid. Wees zo verstandig om de mijne niet over te nemen en vergeet mijn adviezen ook maar. In de woorden van Mary Schmich:

¨Be careful whose advice you buy, but be patient with those who supply it. Advice is a form of nostalgia. Dispensing it is a way of fishing the past from the disposal, wiping it off, painting over the ugly parts and recycling it for more than it's worth.¨

 

Enfin. 

 

Hartelijke groet,

 

Noud Hovius

 

Reacties

 

 

Zaterdag 15 december 2012 beleefde Draak In Huis zijn premiere in jeugdtheater De Krakeling in Amsterdam. Samen met mevrouw Hovius naar de grote stad, wat wil ik nog meer? Een beetje bijzonder was het wel, zoonlief – die opereert onder de theaternaam Freek Duinhof – debuteerde als regie-assistent in een professioneel stuk. We zagen hem pas op het eind, bezweet te voorschijn komend uit een ninjapak, dat hem voor de zaal onzichtbaar had gehouden terwijl hij zeven projectoren bediende, die samen een onwaarschijnlijk mooi decor van schaduwen en lichtbeelden deden ontstaan.

Het stuk zelf was wonderbaarlijk. Het Houten Huis heeft een prachtige voorstelling gemaakt die precies dat doet wat jeugdtheater boven zich zelf uit tilt, het concentreert zich op de dramatische aspecten van de voorstelling en neemt de jeugdige bezoekers simpelweg serieus door niet op de hurken te gaan zitten. Dat publiek bezorgde mij overigens vooraf de kriebels door met teveel beentjes en armpjes en stemgeluiden totaal bezit te nemen van de enorme foyer. De voorstelling was bestemd voor 6 jaar en ouder, maar de koters hadden de kleine broertjes en zusjes toch maar niet thuis gelaten. In de zaal werd het ook niet echt rustig, tot de haas en de panter met hun tuba en mobiel drumstel verschenen. Muisstil en aandachtig meelevend met de voorstelling tartte het kroost mijn verbazing. Ze waren gegrepen.

De dramatische verhaallijn van een vader en zijn zoontje die samen in huis zijn achtergebleven nadat moeder is vertrokken, wordt in deze voorstelling prachtig tot leven gebracht. Moeder is weg en heeft een verdriet achtergelaten dat voor vader te groot is. De herinnering aan haar, wanneer zij als uil verschijnt, kan hij niet in de ogen kijken. De onuitgesproken boodschap dat onbewerkt verdriet groot en lelijk wordt krijgt vorm in een steeds groter wordende draak. De afwezigheid van echte communicatie tussen vader en zoon wordt keelgrijpend mooi verbeeld. Het zoontje, afwisselend stuiterend als een circusattractie en onmachtig van verdriet, dwaalt steeds verder af van zijn vader en verdwijnt uiteindelijk in het bos dat het huis van zijn plaats verdringt. Als de vader erachter komt dat de zoon in de buik van de draak terecht is gekomen voegt hij zich bij hem. Daar hervinden ze elkaar en worden ze door de uil teruggebracht naar huis. 

Er was letterlijk geen woord teveel of te weinig op het toneel, tussen het exuberante of juist heel klein gehouden spel van de acteurs. Het verhaal krijgt niet alleen vorm in woorden en spel, maar ook in de eigen, zeer muzikale composities en in het prachtige decor met schaduw- en kleurprojecties die van het decor een echt huis of een doodeng bos maken. De scene in de buik van de draak is daardoor gewoonweg filmisch te noemen. Samen met de kleintjes zaten we te smullen van al dit moois terwijl we de verhaallijn rechtstreeks toegang tot ons hart gaven. Een prachtige voorstelling, waarmee vast en zeker prijzen zullen worden gewonnen. Goed om te vernemen dat Het Houten Huis in deze barre cultuurtijden een vaste plek heeft verworven. Nu maar hopen dat ze de weg naar Zeeland weten te vinden.

Voor verdere gegevens, de teaser en de speellijst:  http://www.stipprodukties.nl/voorstelling/17672950-Draak-in-Huis-6-

Zie ook https://www.facebook.com/hethoutenhuis

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl